Verzwegen bankrekeningen; identiteit tipgever mag niet geheim blijven

Gepubliceerd in: NLFiscaal
Datum: 29-01-2019
Auteur(s): B.J.G.L. Jaeger

Bekijk PDF

NLF 2019/0468

Verzwegen bankrekeningen; identiteit tipgever mag niet geheim blijven
Hof Arnhem-Leeuwarden, 29 januari 2019, 17/00357 t/m 17/00370, ECLI:NL:GHARL:2019:734

SAMENVATTING
Uit onderzoek is gebleken dat X houder is (geweest) van een of meerdere buitenlandse bankrekeningen. Het onderzoek heeft plaatsgevonden naar aanleiding van informatie die is ontvangen van een tipgever. Het onderzoek heeft ertoe geleid dat aan X (navorderings-) aanslagen IB/PVV en vermogensbelasting en boetebeschikkingen zijn opgelegd. De Inspecteur heeft hangende de beroepsprocedure stukken aan Rechtbank Gelderland overgelegd en daarbij een verzoek om (gedeeltelijke) geheimhouding als bedoeld in artikel 8:29 Awb gedaan. De geschoonde stukken zijn ook aan X overgelegd. De geheimhoudingskamer van de Rechtbank heeft bij beslissing van 15 januari 2014 geoordeeld dat beperking van de kennisneming van de stukken en geheimhouding van de identiteit van de zogenoemde tipgever gerechtvaardigd is. De Rechtbank heeft op 14 februari 2017 uitspraak gedaan. X heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Hof Arnhem-Leeuwarden stelt voorop dat de kamer die de hoofdzaken zal behandelen, zal beslissen over de vraag of de te beoordelen stukken zaakstukken zijn. Het Hof beperkt zich tot de beslissing of geheimhouding of beperking van de kennisneming van (delen van) deze stukken gerechtvaardigd is. Volgens het Hof is geen sprake van gewichtige redenen die geheimhouding van de identiteit van de tipgever rechtvaardigen. Dit betekent dat een aantal geschoonde passages dienen te worden vrijgegeven. De Inspecteur heeft terecht om redenen van privacy de persoonsnamen en andere persoonlijke (identiteits)gegevens, alsmede directe telefoonnummers en e-mailadressen van belastingdienstambtenaren in een aantal bijlagen niet prijsgegeven. Hof is van oordeel dat het belang van de privacy van de ambtenaren van de Belastingdienst aanzienlijk zwaarder weegt dan het belang van X bij kennisneming van de gegevens. De Inspecteur heeft verder terecht passages en memo’s geschoond om redenen van controlestrategie, bescherming van de privacy van derden en het voorkomen van calculerende gedrag.

NOOT
Op Hof Amsterdam na heeft de Belastingdienst inmiddels van alle hoven de deksel op de neus gekregen wat betreft de tipgever. De commotie begon bij Hof Arnhem-Leeuwarden dat FIOD-medewerkers op zitting wilde horen over de identiteit van de tipgever. Die zaak leidde tot het ‘Tipgevers-arrest’ van de Hoge Raad uit 2015: gelet op alle feiten en  omstandigheden mocht het Hof de aanslagen niet zonder meer vernietigen, ondanks de weigering de identiteit van de tipgever prijs te geven.
Verwijzingshof Den Bosch oordeelde vervolgens begin vorig jaar in diezelfde zaak dat het gebruik van de informatie van de tipgever door de Belastingdienst zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht. De crux van die beslissing was dat de Belastingdienst een belangenafweging had moeten maken tussen het belang van een juiste belastingheffing en bestrijding van belastingontwijking en het belang van een zuiver rechtsstatelijk, normconform handelen van de Staat. Eind vorig jaar ging Hof Den Bosch nog een stap verder met een gepeperd oordeel dat de Belastingdienst in strijd met artikel 6 EVRM handelde door de geheimhoudingskamer niet te informeren over de identiteit van de tipgever. Daaraan lag (mede) ten grondslag dat de kennelijke dreiging voor
het leven van de tipgever bij openbaring van zijn identiteit niet concreet genoeg was.

De beoordeling in deze zaak
De geheimhoudingskamer van dit Hof gaat in die laatste gedachtegang mee:
 
‘Het Hof is van oordeel dat de Inspecteur, met hetgeen hij hiervoor heeft aangevoerd, niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een aanmerkelijke kans dat bedreigingen en represailles zich zullen voordoen als de identiteit van de tipgever bekend wordt gemaakt.’
 
Wat opvalt is het gebruik door het Hof van de fiscaal ongebruikelijke maatstaf van de aanmerkelijke kans en dat het Hof de identiteit van de tipgever alleen wil onderzoeken om te beoordelen of is voldaan aan het ‘zozeer indruist’-criterium (gerechtigheid tot de bankrekeningen is erkend en over de cijfermatige berekening van de belastingaanslagen zijn partijen het eens). Het lijkt er overigens niet op dat de Inspecteur na het laatste debacle bij Hof Den Bosch extra pogingen heeft ondernomen de dreiging te concretiseren. Wellicht komt dat nog, aangezien uit de laatstgenoemde uitspraak van Hof Den Bosch bleek dat een rechter-commissaris het horen van de tipgever heeft bevolen in een strafzaak waarin informatie van de tipgever als bewijs wordt gebruikt. Wat verder opvalt, is dat alle andere documenten geschoond mogen blijven en alleen de tipgever eraan moet geloven. Ik kan me niet helemaal vinden in die balans. Ik snap namelijk best dat, zeker na alle pers vanwege de commotie over diens geheimhouding, de tipgever niet meer over straat kan als zijn naam bekend raakt. Er is wel wat voor te zeggen dat dat een risico is dat de Inspecteur maar heeft te dragen. De Hoge Raad heeft duidelijk gemaakt dat een oordeel van de geheimhoudingskamer niet hoeft te worden opgevolgd. Het uitgangspunt dat de Belastingdienst het oordeel volgt, is niet meer vanzelfsprekend. De Inspecteur kan er dus in bepaalde gevallen voor kiezen om de ‘gerade consequenties’ te dragen. Daarmee lijkt de ruimte groter geworden om ondanks begrip voor de redenen die tot geheimhouding nopen, toch te oordelen dat de Inspecteur maar moet volharden in een weigering en het logischer is om de consequenties van die weigering (anders gezegd de wens tot geheimhouding) voor risico van de fiscus te laten komen.
Afgezien van de tipgever draagt nu de belanghebbende in alle andere gevallen het nadeel van de geheimhouding.

Zaakstukken
De overwegingen van deze uitspraak van de geheimhoudingskamer begint overigens met een opmerkelijk oordeel over artikel 8:42 Awb:
 
‘Het Hof stelt voorop dat de kamer die de hoofdzaken zal behandelen, zal beslissen over de vraag of de hierna te beoordelen stukken op de zaken betrekking hebbende stukken zijn zoals bedoeld in artikel 8:42 Awb. Het Hof beperkt zich tot de beslissing of geheimhouding of beperking van de kennisneming van (delen van) deze stukken gerechtvaardigd is.’
Mij dunkt dat de beoordeling of een stuk op de zaak betrekking heeft, voorafgaat aan de vraag over beperkte of geen kennisneming ex artikel 8:29 Awb. Die bepaling ziet namelijk slechts op stukken die partijen verplicht zijn over te leggen.

Ludwijn Jaeger
Jaeger Advocaten-belastingkundigen

BRON
Beslissing van de eerste meervoudige belastingkamer op het verzoek op grond van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van de inspecteur van de  Belastingdienst/Midden- en kleinbedrijf/Kantoor Hoorn (hierna: de Inspecteur) in het geding tussen

de Inspecteur

en

X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 14 februari 2017, nummers AWB 12/6189 tot en met 12/6200, 12/6413 en 12/6415.

1. Ontstaan en loop van het geding
1.1. Aan belanghebbende zijn over de jaren 1997 en 1999 tot en met 2009 (navorderings)aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en over de jaren 1998 en 2000 navorderingsaanslagen in de vermogensbelasting opgelegd. Bij beschikkingen is heffingsrente berekend en zijn een verhoging en boeten opgelegd.
1.2. De Inspecteur heeft uitspraken op bezwaar gedaan.
1.3. Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank).
1.4. De Inspecteur heeft hangende de beroepsprocedure bij brief van 10 juni 2013 stukken aan de Rechtbank overgelegd (de hierna te noemen bijlagen A1 en B1 tot en met B12) en daarbij een verzoek om (gedeeltelijke) geheimhouding als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb gedaan. De set geschoonde stukken zijn ook aan belanghebbende overgelegd.
1.5. De geheimhoudingskamer van de Rechtbank heeft bij beslissing van 15 januari 2014 geoordeeld dat beperking van de kennisneming van de stukken en geheimhouding van de identiteit van de zogenoemde tipgever gerechtvaardigd is.
1.6. De Rechtbank heeft op 14 februari 2017 uitspraak gedaan.
1.7. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.8. De Inspecteur heeft een verzoek ingediend, waarin hij voor bepaalde stukken het standpunt inneemt dat kennisneming van delen van deze stukken is voorbehouden aan het Hof (beperking kennisneming) als bedoeld in artikel 8:29, eerste lid, van de Awb. Ten aanzien van de in de stukken opgenomen persoonsgegevens van de tipgever heeft de Inspecteur een beroep gedaan op volledige geheimhouding. Daarbij heeft de Inspecteur afschriften van de – afgezien van de gegevens inzake de tipgever – ongeschoonde versie van deze stukken in een gesloten enveloppe aan het Hof gestuurd. Voor de geschoonde versie heeft de Inspecteur verwezen naar de reeds in de beroepsfase (bij brief van 10 juni 2013) overgelegde stukken. De Inspecteur heeft bij brief van 7 augustus 2018 van een aantal eerder ingediende geschoonde stukken een minder geschoonde versie (de hierna te noemen bijlagen B1 tot en met B4 en B6 tot en met B8) ingebracht en daarnaast afschriften van twee nieuwe geschoonde stukken (de hierna te noemen bijlagen B14 en B15) ingebracht met het verzoek om beperking van de kennisneming van deze stukken. De set met geschoonde stukken is aan belanghebbende doorgestuurd.
De ongeschoonde versie van deze nieuwe stukken is in een gesloten enveloppe aan het Hof gestuurd.
Tevens heeft de Inspecteur een (ongeschoond) afschrift van een notariële akte van 15 juni 2017 (aangeduid als bijlage B13), waarin een verklaring van de tipgever is opgenomen, overgelegd. In deze notariële akte zijn de personalia van de tipgever door de notaris niet opgenomen.

1.9. Belanghebbende heeft bij brief van 17 september 2018 nadere stukken ingediend.
1.10. Het verzoek van de Inspecteur is ter zitting, gelijktijdig met de verzoeken inzake [A] en de erven [B] , behandeld op 25 september 2018. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. Overwegingen

2.1. Het Hof stelt voorop dat de kamer die de hoofdzaken zal behandelen, zal beslissen over de vraag of de hierna te beoordelen stukken op de zaken betrekking hebbende stukken zijn zoals bedoeld in artikel 8:42 van de Awb. Het Hof beperkt zich tot de beslissing of geheimhouding of beperking van de kennisneming van (delen van) deze stukken gerechtvaardigd is.
2.2. Op de voet van artikel 8:29, eerste lid, van de Awb kan de inspecteur, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, weigeren stukken, of gedeelten daarvan, over te leggen dan wel deze alleen aan de rechter ter kennis brengen. Het Hof stelt voorop dat bij de toepassing van dit artikellid de grootst mogelijke terughoudendheid dient te worden betracht. Slechts indien de door de Inspecteur voor geheimhouding of beperkte kennisneming aangevoerde redenen aanzienlijk zwaarder wegen dan het belang van belanghebbende bij onbeperkte kennisneming van (delen van) de op de zaak betrekking hebbende stukken, is sprake van gewichtige redenen die geheimhouding of beperkte kennisneming rechtvaardigen.
2.3. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat voor de onderstaande stukken kennisneming van delen van deze stukken is voorbehouden aan het Hof (beperkte kennisneming) als bedoeld in artikel 8:29, eerste lid, van de Awb. Ten aanzien van de in de stukken opgenomen persoonsgegevens van de tipgever heeft de Inspecteur een beroep gedaan op volledige geheimhouding, dus ook geheimhouding jegens het Hof. Het Hof gaat daarbij uit van de laatste – minst geschoonde – versie.
 
2.4. Het Hof beschikt voor de onderhavige beoordeling over een set – afgezien van de hierna te noemen gegevens inzake de tipgever – ongeschoonde exemplaren van deze stukken. De bijlagen B2, B3, B5 en B14 zijn niet geheel ‘ongeschoond’ overgelegd, omdat de persoonsgegevens, waaronder (voor B14 ook) het fiscaalnummer, het dossiernummer en een bankrekeningnummer, van de tipgever zijn weggelakt.

2.5. De Inspecteur heeft voor het schonen van passages in de stukken diverse soorten ‘gewichtige redenen’ aangevoerd. De geschoonde passages zijn zwartgemaakt of weggelakt en voorzien van een letter, die verwijst naar de volgens de Inspecteur van toepassing zijnde gewichtige reden. In hoger beroep heeft de Inspecteur de volgende soorten gewichtige redenen genoemd, waarbij dient te worden opgemerkt dat de Inspecteur in zijn brief van 7 augustus 2018 heeft vermeld dat hij ten aanzien van de minder geschoonde en nieuwe stukken de onderverdeling A1/A2 (thans A) en D1/D2/E (thans D) niet meer maakt:
 
Identiteit van de tipgever
2.6. Voor volledige geheimhouding van de persoonsgegevens van de tipgever heeft de Inspecteur de volgende redenen aangevoerd:

  1. Er is een aanmerkelijke kans aanwezig dat bedreigingen en represailles zich zullen voordoen tegen
    de persoon van de tipgever en/of zijn gezins- en familieleden. De tipgever kan zijn normale leven
    niet hervatten zonder dat hij hoeft te vrezen voor zijn leven, zijn gezondheid of zijn veiligheid dan
    wel voor de ontwrichting van zijn gezinsleven of zijn sociaal-economisch bestaan, indien zijn
    identiteit bekend wordt.
  2. De tipgever zou zijn normale leven door de grote (negatieve) media-aandacht niet meer kunnen
    voortzetten op de wijze die hij gewend is, indien zijn identiteit bekend wordt.
  3. Het staatsbelang en/of de financiële en economische belangen van de Staat.

2.7. De gemachtigde van belanghebbende heeft ter zitting van het Hof aangevoerd dat in de onderhavige zaken, waarin weliswaar de gerechtigdheid tot de bankrekeningen is erkend en waarin partijen niet van mening verschillen over de cijfermatige berekening van de belastingaanslagen, belanghebbende toch een belang heeft bij het prijsgeven van de anonimiteit van de tipgever. Belanghebbende wil de mogelijkheid hebben om de tipgever eventueel door de hoofdkamer van het Hof als getuige te laten horen. Kennis van de identiteit is nodig om de achtergrond van de tipgever te kunnen toetsen. Belanghebbende wil de wijze van verkrijging van de informatie door de tipgever en door de Belastingdienst kunnen beoordelen, alsmede of de door de tipgever aan de Belastingdienst verstrekte informatie op een wijze is verkregen die zozeer indruist tegen wat van een behoorlijk handelende overheid verwacht mag worden dat dit gebruik ontoelaatbaar is (rechtmatigheid van de verkrijging) en of de Belastingdienst bij het verkrijgen van de informatie niet in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel, heeft gehandeld. Dit onderzoek is niet alleen relevant voor de rechtmatigheid van de opgelegde boeten maar ook voor die van de opgelegde belastingaanslagen. Zolang de identiteit van de tipgever niet wordt gegeven, kan dit onderzoek niet plaatsvinden en wordt belanghebbende geschaad in haar verdediging, aldus de gemachtigde van belanghebbende.
2.8. De Inspecteur heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat sprake is van een aanmerkelijke kans op represaillemaatregelen gewezen op de notariële akte van 15 juni 2017 van de verklaring van de tipgever zelf, waarin onder meer het volgende is vermeld:
“De redenen dat ik alleen maar anoniem wil getuigen zijn de volgende. Ik ben bang dat als mijn identiteit bekend wordt, dat de belastingplichtigen die door mijn informatie tegen de lamp zijn gelopen, er alles aan zullen doen om mij het leven en dat van mijn gezin zuur te maken. Voor deze angst is ook reden, omdat de historie leert dat in soortgelijke gevallen er inderdaad op alle mogelijke wijzen verhaal wordt gehaald bij de tipgever. En niet alleen via het voeren van allerlei juridische procedures. Over het algemeen loopt het nooit goed af met een klokkenluider. Ik heb het dan niet alleen over mijn/onze privacy, maar ook over mijn/onze veiligheid. In dit geval geldt specifiek dat over mij letterlijk in De Telegraaf heeft gestaan: 'Wat mij betreft mogen ze die tipgever morgen afknallen '. Dit deed me veel.
Ook zijn er tal van voorbeelden van tipgevers bekend die zijn gedwongen om een andere identiteit aan te nemen. En tipgevers/klokkenluiders die zijn bedreigd. Ook in mijn geval is die angst reëel. Het Excelsheet dat ik heb overhandigd bevat meer dan honderd bankrekeningnummers van personen waarvan ik het vermoeden heb dat er personen tussen zitten die betrokken zijn geweest of deel uitmaakten van de onderwereld. Ik heb daarvoor ook concrete aanwijzingen. De oud-collega waarvan ik vermoed dat hij het spreadsheet heeft  opgemaakt, was iemand met een groot netwerk uit Brabant en er werd van hem gezegd dat hij contact had met personen die mogelijk crimineel zouden zijn. Ik herkende bovendien ook namen op de Excellijst.
Onder deze omstandigheden ben ik niet bereid, zonder dat mijn anonimiteit gegarandeerd is, als getuige te worden verhoord. lk wil graag nog verklaren dat mijn gezondheid door de stress van deze zaak achteruit is gegaan. Ik merk dat ik er last van heb. Ik ben hartpatiënt. Ik heb hartritmestoornissen. Ik ben hiervoor onder behandeling van een arts en neem hiervoor dagelijks medicatie. Ik kan slecht tegen stress. De gedachte dat mijn identiteit bekend wordt en dat ik hierdoor op enigerlei wijze achterna gezeten zal worden door de rekeninghouders van wie ik de gegevens aan de Belastingdienst heb verstrekt, geeft mij veel stress. Ik ben gisteren bij de huisarts geweest en ook zijn advies is om stressmomenten zoveel mogelijk te vermijden.”
 
2.9. In aanvulling op deze verklaring heeft de Inspecteur naar voren gebracht dat de tipgever in angst en onzekerheid leeft, omdat hij niet weet wie de Belastingdienst aan de hand van de door hem verstrekte informatie heeft geïdentificeerd en dus ook niet weet of in verband daarmee belastingaanslagen aan criminelen zijn opgelegd. Hiervan gaat dreiging uit. Illustratief is in dit verband volgens de Inspecteur dat de advocaat van de tipgever heeft meegedeeld dat een particulier recherchebureau in contact probeerde te komen met de tipgever. Ook derden, van wie het profiel overeen lijkt te komen met dat van de tipgever, voelen zich bedreigd. Dit volgt volgens de Inspecteur uit een artikel in NRC Handelsblad van
17 maart 2015 waarin is geschreven dat derden het Ministerie van Financiën  hebben gevraagd om een verklaring dat zij niet de tipgever zijn. Ter zitting van het Hof heeft de  Inspecteur bovendien nog melding gemaakt van een “bepaalde gebeurtenis”, maar verder heeft de Inspecteur niets willen verklaren, om te voorkomen dat de identiteit van de tipgever bekend wordt.
2.10. De gemachtigde van belanghebbende heeft hier tegenover gesteld dat de stelling dat sprake is van een dreiging van represailles een feitelijke en concrete onderbouwing mist. Van een uitgebreide screening naar criminele activiteiten van de personen op de door de tipgever verstrekte lijst van zwartspaarders is niet gebleken; van een risicoanalyse evenmin. Het nalaten van dergelijk onderzoek dient voor rekening en risico van de Belastingdienst te komen.
2.11. Het Hof is van oordeel dat de Inspecteur, met hetgeen hij hiervoor heeft aangevoerd, niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een aanmerkelijke kans dat bedreigingen en represailles zich zullen voordoen als de identiteit van de tipgever bekend wordt gemaakt. De door de Inspecteur aangedragen onderbouwing is onvoldoende concreet en verifieerbaar. Er is geen onderzoek gedaan, althans daarvan is niet gebleken, naar de feitelijke risico’s waaraan de tipgever eventueel zou worden blootgesteld bij bekendmaking van zijn identiteit. De stellingen van de Inspecteur dat nader onderzoek lastig is en dat het meer concreet beschrijven van de (mogelijke) bedreiging het risico mee zou kunnen brengen dat gegevens worden vrijgegeven die tot de identificatie van de tipgever leiden, leiden niet tot een ander oordeel. Niet valt in te zien waarom de Inspecteur geen nader onderzoek heeft kunnen doen naar onder meer de (mogelijke) personen uit de onderwereld op de door de tipgever overhandigde lijst, en de resultaten daarvan niet zou hebben kunnen presenteren aan de geheimhoudingskamer op een door deze te verifiëren wijze. Ook overigens heeft de Inspecteur zijn stellingen onvoldoende onderbouwd. Dat de Inspecteur een en ander heeft nagelaten, dient in het onderhavige geval voor zijn rekening te blijven.
2.12. Gelet op het voorgaande is het Hof van oordeel dat de Inspecteur zijn stelling dat de tipgever zijn normale leven niet kan hervatten zonder te moeten vrezen voor zijn leven, zijn gezondheid of zijn veiligheid dan wel voor de ontwrichting van zijn gezinsleven of zijn sociaal-economisch bestaan, indien zijn identiteit bekend wordt, niet aannemelijk heeft gemaakt. Voor zover de Inspecteur in dit verband met zijn verwijzing naar de verklaring van de tipgever (van 15 juni 2017) dat zijn gezondheid door de stress van deze zaak achteruit is gedaan, heeft bedoeld te stellen dat voor de gezondheid van de tipgever moet worden gevreesd in de hiervoor bedoelde zin, is het Hof van oordeel dat de Inspecteur ook deze stelling in het geheel niet met verifieerbare gegevens heeft onderbouwd.
2.13. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de Inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat de onder 2.6, onder a, genoemde reden aanzienlijk zwaarder weegt dan het  verdedigingsbelang van belanghebbende bij kennisneming van de identiteit van de tipgever. Daaraan doet niet af dat de Inspecteur ter zitting van het Hof het aanbod heeft gedaan dat de tipgever als getuige door (de hoofdkamer van) het Hof gehoord mag worden en dus door de gemachtigde van belanghebbende bevraagd kan worden, onder de voorwaarde dat de identiteit alleen aan het Hof bekend zal worden gemaakt. Indien in belastingzaken al een mogelijkheid zou worden aanvaard tot het horen van anonieme getuigen, past het binnen de overigens in Nederland geldende regels om die mogelijkheid sterk te begrenzen. Het horen van een anonieme getuige leidt immers voor een partij die de identiteit van de getuige niet kent, tot een aanzienlijke beperking van de mogelijkheden om de geloofwaardigheid van die getuige ter discussie te stellen. Beginselen van behoorlijk procesrecht brengen mee dat een zodanige beperking slecht toelaatbaar is indien zij strikt noodzakelijk is. In overeenstemming daarmee maakt de regeling van de artikelen 226a e.v. Sv het horen van een anonieme getuige alleen mogelijk indien, met het oog op de door de getuige af te leggen verklaring, voor het leven, de gezondheid of de veiligheid dan wel de ontwrichting van het gezinsleven of het sociaal-economische bestaan van die getuige of van een andere persoon moet worden gevreesd (zie HR 24 november 2017, nr. 16/04810, ECLI:NL:HR:2017:2986). Nu, gelet op het voorgaande, deze noodzakelijkheid niet aannemelijk is gemaakt, kan het aanbod van de Inspecteur hem reeds om deze reden niet baten.
2.14. De Inspecteur heeft voorts als gewichtige reden aangevoerd dat de tipgever zijn normale leven, door de grote (negatieve) media-aandacht, niet meer zou kunnen voortzetten op de wijze die hij gewend is, indien zijn identiteit bekend wordt. Een dergelijke inbreuk op het leven van de tipgever, weegt voor het Hof niet aanzienlijk zwaarder dan het verdedigingsbelang van belanghebbende bij kennisneming van de identiteit van de tipgever. Hierbij merkt het Hof op dat de tipgever ten tijde van het sluiten van de overeenkomst met de Staat – zie de overgelegde bijlage B2, waarin is bepaald dat de tipgever als getuige vrijwillig zal verschijnen (artikel 1, vierde lid) en ingeval de identiteit van de tipgever zou worden geopenbaard, de Belastingdienst de geëigende instanties binnen de Staat zal benaderen met het oog op de bescherming van de veiligheid van de tipgever (artikel 2, vierde lid) –, zich bewust moet zijn geweest van het mogelijke effect op zijn normale leven als zijn identiteit bekend zou worden en dit kennelijk – mede in het licht van de met hem overeengekomen geldelijke beloning – voor lief heeft genomen.

2.15. De Inspecteur heeft als derde reden aangevoerd dat het staatsbelang en/of de financiële en economische belangen van de Staat geheimhouding vereisen. De Staat heeft er een belang bij dat ook in de toekomst tipgevers met waardevolle informatie zich vrij voelen zich te melden. Indien blijkt dat uiteindelijk de anonimiteit in fiscale zaken toch zal worden prijsgegeven, zullen potentiële tipgevers zich wel twee keer bedenken voordat zij hun informatie aan de Staat willen verstrekken. Hierdoor kan een belangrijke bron om fiscale of financiële fraude op te sporen verloren gaan, aldus de Inspecteur. Het Hof overweegt dat de Inspecteur in de geheimhoudingsprocedure niet kan volstaan met de enkele
stelling dat sprake is van belangen van de Staat, zeker niet nu kennisneming van de identiteit van de tipgever voor het waarborgen van de processuele gelijkheid van partijen in de belastingprocedure van belang is, omdat bij de belangenafweging het individuele verdedigingsbelang van belanghebbende dient te worden afgewogen tegen het betreffende belang van de Staat. De Inspecteur heeft voormelde stelling echter niet nader geconcretiseerd en onderbouwd. Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur, met hetgeen hij heeft aangevoerd als zojuist weergegeven, dan ook niet aannemelijk gemaakt dat deze belangen van de Staat aanzienlijk zwaarder wegen dan het verdedigingsbelang van belanghebbende bij kennisneming van de identiteit van de tipgever.
12.16. Naar het oordeel van het Hof leidt ook een beschouwing van de onder 2.6 aangevoerde redenen tezamen niet tot het oordeel dat sprake is van gewichtige redenen die geheimhouding van de identiteit van de tipgever rechtvaardigen.
2.17. Dit betekent dat de passages die zijn geschoond om reden A (A1/A2) in de bijlagen B1, B2, B3, B4, B5, B6 en B14 dienen te worden vrijgegeven. Dit betreffen niet alleen de volledig geheimgehouden passages, maar ook de passages die met een beroep op beperkte kennisneming zijn weggelakt omdat aan de hand van die informatie de identiteit van de tipgever mogelijk zou kunnen worden herleid. Met betrekking tot bijlage B14 behoeven niet alle gegevens te worden vrijgegeven. Het Hof verwijst daarvoor naar overweging 2.28.
 
Namen ambtenaren Belastingdienst
2.18. De Inspecteur heeft om redenen van privacy de persoonsnamen en andere persoonlijke (identiteits)gegevens, alsmede directe telefoonnummers en e-mailadressen van
belastingdienstambtenaren in de bijlagen B1, B3, B4, B6, B7, B8, B10, B11, B12 en B15 niet prijsgegeven (vermelding van letter C). De gemachtigde van belanghebbende heeft ter zitting van het Hof verklaard bekend te zijn met de bereidheid van de Inspecteur om de namen bekend te maken in het geval belanghebbende de betreffende ambtenaren als getuige zou willen horen. Een ander belang dan het horen van de betreffende ambtenaren heeft belanghebbende niet naar voren gebracht. In het licht van het voorgaande is het Hof van oordeel dat het belang van de privacy van de ambtenaren van de Belastingdienst aanzienlijk zwaarder weegt dan het belang van belanghebbende bij kennisneming van de genoemde gegevens.
 
Overige aspecten geschoonde stukken
2.19. Met betrekking tot de overige – dus anders dan de redenen A en C – aangevoerde redenen voor het schonen van de bijlagen overweegt het Hof als volgt.
 
Bijlage A1
2.20. De stukken in bijlage A1 betreffen stukken, genummerd D-01 tot en met D-27, inzake diverse andere belastingplichtigen. In deze stukken zijn om reden van het waarborgen van de privacy van deze derden diverse passages geschoond, waaronder persoonsgegevens van derden, rekeningnummers, bedragen, adviezen en gegevens omtrent aan- en verkopen van beleggingen en toepasselijke ‘fees’ en rentepercentages. Naar het oordeel van het Hof weegt het beschermen van de privacy van de derden in het onderhavige geval aanzienlijk zwaarder dan het belang van belanghebbende bij kennisneming van die gegevens.
 
Bijlage B1
2.21. Enkele passages zijn geschoond om reden van het waarborgen van de privacy van derden (vermelding van letter B). De betreffende passage op pagina 2 ziet op informatie over een andere bank dan de bank waar belanghebbende een rekening heeft (gehad). Relevantie voor de zaken van belanghebbende ontbreekt. Mede gelet daarop weegt, naar het oordeel van het Hof, het beschermen van de privacy van de derden in het onderhavige geval aanzienlijk zwaarder dan het belang van belanghebbende bij kennisneming van die gegevens. Hetzelfde heeft te gelden voor de betreffende passages op de pagina’s 3 en 6. Op pagina 4 gaat het om informatie over specifieke klanten. Ook deze informatie is voor de beslissing in de zaken van belanghebbende niet van belang. Het beschermen van de privacy van deze derden weegt in het onderhavige geval dan ook aanzienlijk zwaarder dan het belang van belanghebbende bij kennisneming van die gegevens.
2.22. Met betrekking tot de passages die uit (controle-)strategische overwegingen zijn geschoond (vermelding van letter D) heeft de Inspecteur gesteld dat het gaat om passages waaraan belastingplichtigen inzichten kunnen ontlenen over de wijze waarop de Belastingdienst de feiten achterhaalt en onderzoekt, dan wel haar werkprocessen inricht en logistiek organiseert. Het risico van frustratie van (de uitvoering en handhaving van) de belastingwet zou manifest kunnen worden doordat belastingplichtigen op grond van deze informatie zouden kunnen anticiperen op de controlestrategieën en werkwijzen van de Belastingdienst, aldus de Inspecteur. Evenals hiervoor genoemd, ziet de betreffende passage op pagina 2 op informatie over een andere bank dan de bank waar belanghebbende een rekening heeft (gehad). Mede gelet daarop weegt, naar het oordeel van het Hof, het belang van het
niet prijsgeven van de controlestrategie in het onderhavige geval aanzienlijk zwaarder dan het belang van belanghebbende bij kennisneming van die gegevens. Hetzelfde heeft te gelden voor de betreffende passages op de pagina’s 3 en 6.
 
Bijlage B6
2.23. In de ambtsedige verklaring inzake een gespreksverslag over de stukken in bijlage A1 is een aantal passages geschoond om reden van het waarborgen van de privacy van deze derden (vermelding van letter B). De passages betreffen namen van en informatie over derden. Naar het oordeel van het Hof weegt het beschermen van de privacy van deze derden in het onderhavige geval aanzienlijk zwaarder dan het belang van belanghebbende bij kennisneming van die gegevens.
 
Bijlage B7
2.24. Een aantal passages is geschoond om redenen van controlestrategie (vermelding van letter D). Het Hof verwijst voor de door de Inspecteur gegeven onderbouwing naar hetgeen is opgenomen in overweging 2.22. Met betrekking tot de betreffende passage op pagina 4 overweegt het Hof dat dit informatie betreft omtrent een andere bank. Mede gelet daarop weegt, naar het oordeel van het Hof, het belang van het niet prijsgeven van de controlestrategie in het onderhavige geval aanzienlijk zwaarder dan het belang van  belanghebbende bij kennisneming van die gegevens. Om voormelde reden zijn voorts op pagina 6 het aantal geplande uren en op pagina’s 9, 11 en 12 de informatie omtrent de (wijze van) interne communicatie weggelakt. Naar het oordeel van het Hof weegt het belang van het niet prijsgeven van de controlestrategie in het onderhavige geval aanzienlijk zwaarder dan het belang van belanghebbende bij kennisneming van die gegevens.
 
Bijlage B8
2.25. Op de pagina’s 2, 3 en 5 zijn gegevens omtrent derden weggelakt (vermelding van letter B). Naar het oordeel van het Hof weegt het beschermen van de privacy van de derden in het onderhavige geval aanzienlijk zwaarder dan het belang van belanghebbende bij kennisneming van die gegevens. Op de pagina’s 2, 5, 6 en 7 zijn diverse passages geschoond om redenen van controlestrategie (vermelding van letter D; zie voor de onderbouwing van de Inspecteur onder 2.22). Deze passages betreffen informatie over werkproces en strategie. Naar het oordeel van het Hof weegt het belang van het niet prijsgeven van de controlestrategie in het onderhavige geval aanzienlijk zwaarder dan het belang van belanghebbende bij kennisneming van die gegevens.
 
Bijlagen B9, B11 en B12
2.26. De inhoud van deze memo’s zijn geheel geschoond omdat sprake is van interne adviezen (vermelding van letter G). De Inspecteur heeft gesteld dat hij recht heeft op vrijheid en vertrouwelijkheid van juridisch beraad. Gelet op dit door de Inspecteur genoemde recht, dat ook de Inspecteur toekomt, weegt, naar het oordeel van het Hof, het niet vrijgeven van de interne adviezen in het onderhavige geval aanzienlijk zwaarder dan het belang van belanghebbende bij kennisneming van de inhoud van deze memo’s.
 
Bijlage B10
2.27. In dit memo is een aantal passages weggelakt om reden van het voorkomen van calculerend gedrag (vermelding van letter E). De Inspecteur heeft gesteld dat die passages zijn weggelakt die inzicht verschaffen in de aard en omvang van de broninformatie, een en ander indien en voor zover deze geen betrekking hebben op belanghebbende. Het vrijgeven van deze informatie zou ertoe kunnen leiden dat een andere rekeninghouder, al dan niet met enig statistisch onderzoek, een kansberekening zou kunnen maken van wat zijn pakkans is, aldus de Inspecteur. Naar het oordeel van het Hof weegt het belang bij het voorkomen van dit calculerende gedrag in het onderhavige geval aanzienlijk zwaarder dan het belang van belanghebbende bij kennisneming van deze informatie. 

Bijlage B14
2.28. Uit overweging 2.17 volgt dat de passages in bijlage B14 die zijn geschoond om reden A dienen te worden vrijgegeven. Dit oordeel ziet niet op de volgende gegevens: het fiscaalnummer, entiteitsnummer, dossiernummer en rekeningnummer. Deze gegevens zijn voor de identificatie niet van direct belang, maar de bekendmaking daarvan raakt wel de privacy van de tipgever. Dit geldt ook voor de in deze bijlage opgenomen inkomens- en vermogensgegevens, rentegegevens en WOZ-gegevens van de tipgever, waarvoor de Inspecteur, naar het Hof begrijpt, een beroep doet op reden B. Naar het oordeel van het Hof weegt het beschermen van de privacy van deze derde (de tipgever) in het onderhavige geval aanzienlijk zwaarder dan het belang van belanghebbende bij kennisneming van die gegevens.

Slotsom
2.29. Het Hof komt tot de slotsom dat het schonen van de bijlagen A1, B7 tot en met B12 en B15 op de wijze waarop de Inspecteur dat heeft gedaan, gerechtvaardigd is. De geheimhouding dan wel beperking van de kennisneming van de passages die zijn geschoond om reden A (A1/A2) in de bijlagen B1 tot en met B6 en – met inachtneming van overweging 2.28 – B14 is niet gerechtvaardigd. Voor het overige is het schonen van de bijlagen B1, B3, B4, B6 en B14 op de wijze waarop de Inspecteur dat heeft gedaan,
gerechtvaardigd.
2.30. Het Hof zal de Inspecteur de gelegenheid bieden mee te delen welke gevolgen hij aan deze beslissing verbindt.
3. Beslissing
Het Hof:
·bepaalt dat het schonen van de bijlagen A1, B7 tot en met B12 en B15 op de wijze waarop de Inspecteur dat heeft gedaan, gerechtvaardigd is, ·bepaalt ten aanzien van bijlagen B1 tot en met B6 en B14 dat de geheimhouding dan wel beperking van de kennisneming van de passages die zijn geschoond om reden A (A1/A2) – met inachtneming van overweging 2.28 – niet gerechtvaardigd is en dat voor het overige het schonen op de wijze waarop de Inspecteur dat heeft gedaan, gerechtvaardigd is, ·stelt de Inspecteur in de gelegenheid om het Hof binnen twee weken na dagtekening van deze beslissing te berichten welke gevolgen hij aan deze beslissing verbindt, en ·houdt iedere verdere beslissing aan.
  
Deze beslissing is gedaan door mr. G.B.A. Brummer, voorzitter, mr. J.W. baron van Knobelsdorff en mr. P. van der Wal, in tegenwoordigheid van mr. K. de Jong-Braaksma als griffier. De beslissing is op 29 januari 2019 in het openbaar uitgesproken.



Weteringschans 237
1017 XH Amsterdam

T 020 - 676 04 81
F 020 - 676 04 82
E info@jaeger.nl

neem contact op

Jaeger maakt gebruik van cookies

Wij plaatsen cookies om uw ervaring op de website te verbeteren. De cookies die vereist zijn om de website te gebruiken zijn wettelijk toegestaan. Voor de andere cookies kunt u hieronder toestemming geven.

meer informatie